Je kunt je hemel wel verliezen

Te Gast
TE GAST

In deze rubriek reageert een deskundige gast op een vraag of stelling. Deze week luidt de vraag: kun je je hemel verdienen?

© Reinhart Croon
© Reinhart Croon

We vallen maar meteen met de deur in huis: neen, je kunt je hemel niet verdienen, daarover is Jezus heel duidelijk. Meer zelfs, van mensen die het tegendeel beweren, wordt Hij slechtgehumeurd. Hoe dat zit? Laten we meteen eens kijken wat het Lucasevangelie te vertellen heeft over de kwestie.
Allereerst is het omgekeerde blijkbaar wel mogelijk. Je kunt je hemel verliezen. In hoofdstuk 12 van het Lucasevangelie zegt Jezus het volgende: „hem die de heilige Geest heeft gelasterd, zal het niet vergeven worden” (vers 10). Dan word je „verloochend tegenover Gods engelen”. Als je het lot van de rijke man in hoofdstuk 16 bekijkt, is dat geen aanrader. Hij komt terecht in „de onderwereld, ten prooi aan vele pijnen”. Daar waar geween is en tandengeknars, weet u wel?
Daarnaast bestaat er bij God zoiets als een beloning voor de goede werken die je hebt gedaan. In de gelijkenis over de tien ponden – hoofdstuk 19 – zegt de koning aan de man die ponden heeft bijverdiend: „Uitstekend, goede dienaar! Omdat gij in iets kleins trouw zijt geweest, zult gij gezag hebben over tien steden.”
Jezus benadrukt op verscheidene momenten dat je manier van leven wel degelijk effect zal hebben op je relatie met God wanneer Hij zijn oordeel zal uitspreken. Daaruit zou je kunnen afleiden dat het onze opdracht is om zo te leven dat we onze hemel verdienen. Toch is dat een vergissing. Het scherpst komt dat naar voren in de gelijkenis over de farizeeër en de tollenaar in hoofdstuk 18 van Lucas.
De farizeeër gelooft dat je door de wet van Mozes na te leven, aanspraak kunt maken op Gods beloning. Hij weet van zichzelf dat hij geen rover is, geen onrechtvaardige, geen echtbreker of afperser. Bovendien doet hij zelfs meer dan de wet voorschrijft. Niet één keer, maar twee keer per week vast hij. Een tiende van zijn inkomsten staat hij af. Hij is typisch iemand die elke sabbat terugkijkt op de voorbije week en zegt: „Ik heb mijn hemel alweer verdiend.”
De tollenaar is precies het tegenovergestelde. Als belastingambtenaar collaboreert hij met de Romeinse bezetter De hemel situeert zich niet in de orde van het recht, maar van de liefde en distantieert hij zich van zijn volk. Zijn persoonlijke inkomen verwerft hij door meer belastingen te innen dan de Romeinen opeisen. Op die manier perst hij dus zijn eigen volk af. Hij weet dat hij nooit zal voldoen aan de criteria om in de hemel te geraken. Hij kan zich slechts toevertrouwen aan God. „God, wees mij, zondaar, genadig”, stamelt hij achterin de tempel. Tegen alle verwachtingen in wordt de tollenaar echter gerechtvaardigd en de farizeeër niet. Wat is hier aan de hand?
Wie zijn hemel meent te verdienen zoals een werknemer zijn loon, ziet zijn thuiskomst bij God als een recht. Om het met de oude beeldtaal te zeggen: aan de hemelpoort moet je een rapport voorleggen aan Sint-Pieter. Behaalde je meer dan vijftig procent? Dan mag hij je niet weigeren. Jezus vindt dat op twee vlakken problematisch.
Ten eerste is dat een vorm van zelfoverschatting. De scrupuleuze naleving van de wet vertrekt van de illusie dat je Gods goedheid en heiligheid zelf kunt realiseren. In dat geval wordt het geloofsleven een bovenmenselijke prestatie. Gedoemd om te mislukken, word je een kameel die door het oog van de naald wil kruipen.
Ten tweede vindt Jezus het verschrikkelijk dat de scrupuleuze navolgers van de Wet neerkijken op degenen die volgens hen geen vijftig procent behalen op hun hemelse rapport. Door hun neerbuigende houding dreigen ze Gods feest te missen, zoals de oudste zoon in de beroemde parabel in hoofdstuk 15. Misschien is dat nog het sterkste beeld van de mens die de bal volkomen misslaat wanneer het gaat over de hemel. In zijn overtuiging dat hij zelf een feest verdiende en zijn broer niet, verbreekt hij de relatie met zijn familie. Zo kom je terecht in een hels leven.
Uiteindelijk komt het hier op neer: de hemel situeert zich niet in de orde van het recht, maar van de liefde. Niemand stapt naar een geliefde toe met een lijstje van eigen prestaties om wederliefde af te dwingen. Per definitie is liefde een geschenk, een genade. Die kunnen we niet verdienen. We kunnen ons slechts toevertrouwen: „God, wees mij, zondaar, genadig.”

Lees meteen verder

Ik ben nog geen abonnee

Krijg 1 maand toegang
voor €5
OF

Word abonnee
voor €42
tot eind 2020

Registreer je hier