Nonkel pater

Standpunt

Niemand kon zo aangrijpend over de dood zingen als Jacques Brel. Dat deed hij onder meer in het liedje Fernand: „Dire que Fernand est mort. Dire qu’il est mort Fernand. Dire que je suis seul derrière. Dire qu’il est seul devant.” Wie de Fernand in kwestie was, weet ik niet, maar vorige week overleed een andere Fernand, die symbool stond voor een Vlaamse Kerk die bijna verdwenen is.

Een Whatsappberichtje bracht het slechte nieuws: pater Fernand is overleden. De ochtendkrant bevestigde het, met een overlijdensbericht van de missionarissen van Afrika, beter bekend als witte paters. Overleden in zijn Afrika, 76 jaar oud. Geveld door ziekte weigerde hij terug te keren naar België. Vijftig jaar was hij in Congo. Op post blijven tot de laatste snik was zijn wens, trouw aan zijn missie, aan zijn mensen, aan God. Gestorven zoals hij geleefd had, ten dienste van anderen, gedreven door een onwrikbaar geloof. Eens een witte pater, altijd een witte pater.

U kent zelf ook verschillende Fernands, durf ik te wedden. Paters en zusters die hun leven schonken aan minder gegoede mensen in alle uithoeken van onze planeet. Ooit had bijna elke Vlaamse familie een nonkel pater of tante nonneke. Lang voor er sprake was van globalisering, waren we op die manier al verbonden met de hele wereld.

Zelf herinner ik me levendig de dia’s en de verhalen waarmee een Vlaamse zuster elk jaar terugkeerde uit Afrika. Een wondere wereld ging voor ons open. Er was de fascinatie voor het exotische, het onbekende, het mysterieuze. Tegelijk was er het besef wat een ongelooflijke mensen onze missionarissen waren. Met een kracht die veel groter was dan de hunne verrichtten ze werk dat we amper voor mogelijk houden.

U moet zich dat eens proberen in te beelden. Hoe die jonge mannen en vrouwen alles en iedereen achterlieten. Hoe ze vertrokken naar landen en streken waar ze nooit eerder Het evangelie werd eerst voorgeleefd, pas daarna verkondigd  kwamen, waar ze niemand kenden, waar ze de taal niet spraken, waar de zeden en gewoonten in niets leken op wat ze onder hun eigen kerktoren gewoon waren geweest. Met weinig middelen deden ze er grootse dingen. Scholen werden gebouwd, ziekenhuizen uit de grond gestampt. Kinderen leerden lezen, vrouwen leerden over hun gezondheid en hun vruchtbaarheid, boeren maakten kennis met betere landbouw- en verkooptechnieken.

Dat was ook de manier waarop Gods Woord werd verspreid. Niet met ronkende praatjes, maar met daden die bewondering wekten. Het evangelie werd eerst voorgeleefd, pas daarna verkondigd. Geloofwaardigheid baande de weg voor geloof.

Als u ooit in Leuven komt, loop dan eens binnen in de Sint-Antonius-kapel, waar pater Damiaan begraven ligt. Zijn verhaal hangt er aan de muren, met foto’s en uittreksels van de brieven aan het thuisfront. Hemel en aarde verzette hij daar, in het verre Molokai. Wonderen werden er werkelijkheid. Aan de verworpenen der aarde gaf hij zijn leven, met enkel God als metgezel.

Ze waren met duizenden, de Vlaamse Damiaans en Fernands die een stukje van de wereld mooier maakten. Ook vandaag zijn er nog missionarissen, maar ze worden ouder en schaarser. Zullen we hen over enkele jaren helemaal zien verdwijnen? Zendt Vlaanderen nooit meer zijn zonen en dochters uit? Of zullen we hun nalatenschap koesteren en op andere manieren voortzetten?

Het meest waardevolle Vlaamse exportproduct was nooit ons bier, noch onze chocolade. Het was nonkel pater en tante nonneke. Het waren die ontelbare vrouwen en mannen die, geroepen door God, naar verre en onbekende streken trokken om er hun leven te wijden aan mensen die ze nooit eerder hadden ontmoet. Hun foto’s vervagen, hun voorbeeld blijft inspireren.

Lees meteen verder

Ik ben nog geen abonnee

Krijg 1 maand toegang
voor €5
OF

Word abonnee
voor €25.5
tot eind 2018

Registreer je hier