Einstein op het perron. Langs de onderbroken IJzeren Rijn

Zomerreeks

Deze zomer neemt kerk & leven de trein, op zoek naar het einde van de wereld in eigen land, naar de allerlaatste halte, waar het spoor doodloopt. In de eerste aflevering springen we op de trein naar Hamont. Reist u mee, richting terminus?

Het einde van de wereld spreekt tot de verbeelding. Het laatste punt bereiken, het heeft iets magisch en avontuurlijks. Hamont, in het noorden van de provincies Limburg, is het laatste station van spoorlijn 19. Geen vierhonderd meter verderop begint Nederland. In Vlaanderen lijkt die plek niet meer dan een uithoek, maar schijn bedriegt. Medereizigers en toevallige ontmoetingen brengen ons op het spoor van een glorierijk verleden, van een dorp dat ooit een van de ‘goede steden’ van het prinsbisdom Luik was, van een uitgestrekt grensstation, waar ooit Albert Einstein de trein nam en van de welvarende Teuten die met het geld dat ze in het verre buitenland met hun handel verdienden in Hamont grootse herenhuizen bouwden.

Playmobils, zo noemen pendelaars de MW41-dieseltreinen die Antwerpen verbinden met Mol en Hamont. Bekijk het design van het interieur en u begrijpt waarom. Het is woensdagmiddag en het rijtuig zit afgeladen vol met scholieren en studenten die uit Lier en Geel terugkeren naar Noord-Limburg. We naderen Hamont, sinds 2014 opnieuw de eindhalte van spoorlijn 19. „Van wie zijn die mooie elektrische fietsen in de gang?”, vraagt de conducteur. Een ouder stel vertelt dat ze vanuit Hamont via de fietsknooppunten willen terugfietsen naar Mol. Een tocht van 52 kilometer plannen ze, elektrisch ondersteund.

Station Hamont, een voorlopige terminus? © Erik De Smet
Station Hamont, een voorlopige terminus? © Erik De Smet

Luk Van de Sijpe toont hoe het omwalde Hamont er ooit uitzag. © Erik De Smet
Luk Van de Sijpe toont hoe het omwalde Hamont er ooit uitzag. © Erik De Smet

De Teutenkamer in het oude klooster van de ursulinen. © Erik De Smet
De Teutenkamer in het oude klooster van de ursulinen. © Erik De Smet

„Vroeger was ik treinbestuurder”, vertelt een grijze medereiziger. „We reden met goederentreinen hier voorbij, richting Weert, in Nederland. Al langer is er sprake van de IJzeren Rijn, zoals de spoorlijn heet, weer helemaal te openen. In mijn tijd bestond de halte Hamont niet, maar lang geleden dus wel.”
Het mysterie wordt nog groter wanneer we afstappen en van een bord aflezen dat Hamont een van de grootste stations van het land bezat, met zowat zestig sporen, meer dan driehonderd personeelsleden en een groot restaurant. Geen steen die daarvan rest. Vandaag bestaat het hele station uit twee gele schuilhokjes.
Op het perron ontmoeten we Luk Van de Sijpe, historicus, kerkmeester van de Sint-Laurentius en voorzitter van de heemkundige kring. „In 1879 werd de spoorlijn geopend die Antwerpen verbond met het Rijnland”, zegt hij. „Hamont had ooit stadsrechten en telde amper 1.500 zielen, maar ging door de spoorweg plotseling groeien. Albert Einstein was hier ooit, net als duizenden Duitse emigranten op weg naar de Nieuwe Wereld. De Eerste Wereldoorlog veegde alles weg. De grens met het neutrale Nederland werd gesloten en er kwam een spoorlijn richting Duitsland, via Montzen. In november 1918 ontploften in het station Duitse munitietreinen. Een inferno met honderden slachtoffers. Dat bleek de doodsteek en Hamont werd een secundair stationnetje. Na 1957 reed er nog slechts één trein per dag over de IJzeren Rijn.”
Vandaag is Hamont een uithoek, maar eertijds was het een van de zogenoemde goede steden van het prinsbisdom Luik. Eens had Hamont een van de grootste stations van het land We lopen de Stationsstraat door, richting Wal, zoals de naam het zegt ooit de stadsomwalling. Groot was de stad niet: een markt met een kerk, één straat die vandaag eenvoudigweg Stad heet. Veel oude gebouwen zien we niet, behalve de Teutenhuizen. Twaalf verwierven monumentenstatus. Huis Feyen is een stadswoning uit de achttiende eeuw die omstreeks 1880 werd verbouwd door textielteut Adriaan Feyen. Nu is het B&B Villa Christina, genoemd naar de laatste bewoonster. De eigenaar wenkt ons naar binnen.
Teuten waren rondreizende handelaars uit Noord-Limburg en aangrenzende dorpen in Nederland. Gedurende negen maanden trokken ze naar hun handelsgebieden in Nederland en Duitsland. Koperteuten verkochten ketels en pannen, textielteuten stoffen en linnen, snijders waren dan weer gespecialiseerd in het castreren van dieren. Het waren welvarende ondernemers die slechts zelden niet-verwanten in de zaak opnamen.
In hun thuisgemeenten bouwden ze herenhuizen. Rechts van de middengang bevindt zich het chique salon waar eens bezoekers werden ontvangen, links de ‘goede’ kamer. Nu nuttigen de gasten er het ontbijt. „Wie hier komt? Veel fietsers tijdens de weekends, laatst nog Amerikanen”, vertelt uitbaatster Monique Timmermans. „Tijdens de week logeren we een internationaal zakenpubliek.”
Ook de Sint-Laurentiuskerk in het centrum heeft alles te maken met de Teuten zowel als met het station. Toen de gemeente na de komst van de spoorweg begon te groeien, bleek de oude kerk te klein. Rijke Teuten namen de befaamde Nederlandse architect Pierre Cuypers in de arm. Zoon Jozef realiseerde de ‘kathedraal van het noorden’, waarin de namen van Teutenfamilies vereeuwigd werden: Simons, Spaas, Feyen, Rijcken.
Luk Van de Sijpe toont ons nog een erfgoedschat, de kapel van het ursulinenklooster, een van de laatste realisaties van Pierre Cuypers. Eens was hier een poepchique Franstalig pensionaat gevestigd voor Britse en Duitse meisjes. Waarom hier? Door de goede ligging van het station. In de ontvangstkamer van de zusters huist een permanente tentoonstelling, de Teutenkamer.
Terwijl de dieseltrein al staat te brommen, beëindigen wij ons bezoek op een terras vol wielertoeristen. Met een trappist van Achel?

Lees meteen verder

Ik ben nog geen abonnee

Krijg 1 maand toegang
voor €5
OF

Word abonnee
voor €22
tot eind 2018

Registreer je hier